De Omgevingswet is alweer bijna twee jaar van kracht, en in die periode zijn er tot nu toe twee uitspraken gedaan waarin de bestuursrechter zich buigt over het nieuwe onteigeningsrecht. Volgens die nieuwe opzet neemt het bestuursorgaan dat wil onteigenen een onteigeningsbeschikking. De bestuursrechter toetst deze beschikking en gaat na of de basisvereisten zijn gevolgd; is er een onteigeningsbelang, is er een noodzaak voor onteigening, en is er urgentie (artikelen 11.5 en 16.107 Omgevingswet). Dit zijn de elementen die voorheen door de Kroon werden getoetst en waarover dus al veel oude jurisprudentie bestaat. Tijdens deze procedure bij de rechtbank kunnen ook bedenkingen tegen de onteigeningsbeschikking worden ingediend.
De rechtbank kan na het uitvoeren van de toets en het beoordelen van de bedenkingen het verzoek tot bekrachtiging van de onteigeningsbeschikking afwijzen, of geheel of gedeeltelijk toewijzen. Daarna kan, ook nieuw onder de Omgevingswet, beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als in het bestuursrechtelijke spoor de onteigening doorgang kan vinden wordt in het civielrechtelijke spoor zoals voorheen al gebruikelijk was de hoogte van de schadeloosstelling vastgesteld.
De eerste uitspraken van de bestuursrechter betreffen onteigeningsbeschikkingen van gemeenteraden, Gilze en Rijen (ECLI:NL:RBZWB:2025:2931, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 24/6648 en 24/6649) en Moerdijk (ECLI:NL:RBZWB:2025:6581, Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25/906, 25/1781 en 25/1782). Beide beschikkingen werden gedeeltelijk bekrachtigd: voor die percelen waarover inmiddels overeenstemming was bereikt wordt het verzoek afgewezen. Hoewel de logboeken die de verslaglegging bevatten van de stappen die zijn gezet om tot de onteigeningsbeschikking te komen te laat ter inzage waren gelegd straft de rechtbank dit gebrek in de procedure niet af. Belanghebbenden waren hierdoor in de ogen van de rechtbank niet benadeeld.

Ook nieuw voor de bestuursrechter is de toets van de proceskosten die door belanghebbenden zijn gemaakt. Het besluit proceskosten bestuursrecht is niet van toepassing op de onteigeningsprocedure en daarom toetst de bestuursrechter ook in dit eerste deel van de procedure, de werkelijk gemaakte kosten. Er vindt een dubbele redelijkheidstoets plaats: was het redelijk om deskundige bijstand in te roepen en zijn de gemaakte kosten redelijk. Die toets ziet alleen op het tot op dat moment doorlopen bestuursrechtelijk traject. Het vervolg bij de civiele rechter kent voor de vervolgkosten om de schadeloosstelling vast te stellen ook weer een dergelijke toets.
Het is wachten op meer uitspraken van de rechtbanken over onteigeningsbeschikkingen die nu langzamerhand zullen gaan volgen. Zo is recent de onteigeningsbeschikking van het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden gepubliceerd in verband met de dijkversterking van het traject Culemborgse Veer – Beatrixsluis. Uitspraken van de Afdeling zijn er nog niet. Daar is een zeer deskundige kamer in het leven geroepen om het hoogste bestuursrechtelijk oordeel te gaan geven, ik zie uit naar de eerste uitspraken.
