
De zaak gaat over een legaliserende omgevingsvergunning voor twee paddocks, een buitenrijbaan, hekwerken en lichtmasten bij een paardenhouderij in Kootwijk. Het perceel grenst aan Natura 2000-gebied de Veluwe. De vraag is onder meer of het natuurbeschermingsrecht aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg staat. De initiatiefnemer had bij gedeputeerde staten een aanvraag om een natuurvergunning ingediend. Daarom komt natuur alleen via de boeg van de uitvoerbaarheid aan de orde. Interessant is dat niet alle mogelijke vormen van bedrijfsvoering hoeven te worden beoordeeld. In de stikstofberekeningen was uitgegaan van een bedrijfsvoering waarbij de vervoersbewegingen – en daarmee de stikstofdepositie – niet toenemen. Volgens de bezwaarmakers waren echter ook andere bedrijfsmatige invullingen mogelijk die wél tot meer activiteiten en stikstofdepositie konden leiden. Dat is volgens de Afdeling niet noodzakelijk. Voor de uitvoerbaarheidstoets is in deze zaak is de gekozen bedrijfsvoering voldoende. En die bedrijfsvoering leidde uiteraard niet noodzakelijkerwijs tot extra activiteiten met gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe. De Afdeling komt daardoor niet eens toe aan de gedetailleerde kritiek op het aantal vervoersbewegingen waarvan in de stikstofberekening is uitgegaan. Het gebiedsbeschermingsregime staat daarom niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning in de weg.
Uiteraard moeten de gekozen uitgangspunten reëel zijn. Maar wie de aanvraag slim en realistisch afbakent, stuurt daarmee de uitkomst van de stikstofberekening en dus de uitkomst van de uitvoerbaarheidstoets. AbRvS 23 september 2026, ECLI:NL:RVS:2026:5680
