Ook in het nieuwe jaar verwachten wij richtinggevende rechtspraak die betrekking heeft op de gevolgen van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Uiteraard wachten we allemaal op ‘de’ uitspraak over intern salderen in het zogenoemde planspoor. In afwachting daarvan schijn ik wat licht op een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland die wat mij betreft onderbelicht is gebleven.
De uitspraak van 17 oktober 2025 gaat over het ‘verleasen’ van stikstofruimte. Daarbij wordt de saldogevende activiteit tijdelijk gestaakt en met de ruimte die daarmee vrijkomt kan een andere (tijdelijke) activiteit worden vergund. Naar zijn aard wordt daarbij gebruik gemaakt van extern salderen.
Ten aanzien van de stakende activiteit moet voldoende zekerheid bestaan dat de activiteit niet wordt uitgevoerd. Het staken wordt mede geëffectueerd door de vergunning voor de saldogevende activiteit te schorsen. In de uitspraak gaat het om de tijdelijke schorsing van een natuurvergunning van een melkveebedrijf. Naar het oordeel van GS mocht de vergunning worden geschorst omdat het schorsen geen significante gevolgen heeft.

Op de eerste plaats oordeelt de rechtbank dat de bevoegdheid tot verlening van een vergunning tevens de bevoegdheid tot intrekking behelst, zodat ook het minder zware middel van schorsing mag worden toegepast.
Op de tweede plaats oordeelt de rechtbank dat het al dan niet verlenen van de Wnb-vergunning een discretionaire bevoegdheid betreft die gepaard moet gaan met een belangenafweging. Dat geldt dan dus ook voor de schorsing van de vergunning. Volgens de rechtbank kan dan niet worden volstaan met enkel een juridische afweging, maar moet ook een belangenafweging worden gemaakt over de toepassing van de bevoegdheid. Opmerkelijk is dat de rechtbank juist in die belangenafweging ruimte ziet om de feitelijke situatie te betrekken, en daarmee ook voor een beoordeling van het effect van het staken en nadien starten van een activiteit die wellicht al lang niet meer levensvatbaar is maar – en ik parafraseer – uitsluitend nog gebruikt wordt als melkkoe vanwege de stikstofrechten.
Dat de rechtbank ruimte ziet voor het beoordelen van de feitelijke situatie van de saldogevende activiteit lijkt in te gaan tegen de rechtspraak van de Afdeling waaruit volgt dat bij salderen tussen natuurvergunningen de vergunde ruimte van de saldogevende activiteit doorslaggevend is. De rechtbank zoekt de oplossing echter niet in de beoordeling van het (rekenkundig) effect van de schorsing maar in de belangenafweging tot medewerking aan het gevraagde besluit. Daarmee dwingt de rechtbank het bestuursorgaan tot beantwoording van de vraag: moet u in redelijkheid aan alles meewerken dat ook mag?
Het is mij niet bekend of tegen deze uitspraak hoger beroep is ingesteld, maar ik ben zeer benieuwd of de Afdeling dezelfde ruimte ziet voor het betrekken van de feitelijke situatie bij de beoordeling als de rechtbank.
