Die uitspraak leest u hier
De Afdeling stelt dat in alle gevallen (dus voor alle partijen) waarin in omgevingsrechtelijke zaken de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure is toegepast, geen zienswijzen hoeven te zijn ingediend alvorens beroep wordt ingesteld. Dit geldt onder meer voor bestemmingsplannen, maar ook breder in zaken over besluiten op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, Wet milieubeheer, Wet ruimtelijke ordening, Tracéwet, Wet geluidhinder, Wet natuurbescherming, Ontgrondingenwet, Waterwet, Wet bodembescherming, Wet luchtvaart, Mijnbouwwet, Kernenergiewet, Wet inzake de luchtverontreiniging, Wet bescherming Antarctica en andere wetten en regelingen op het gebied van het milieu en de ruimtelijke ordening.
Er bestaat vanaf 14 april 2021 dus geen verplichting meer om zienswijzen in te dienen voorafgaand aan het instellen van beroep tegen besluiten die zijn gebaseerd op de bovenstaande wetten. Dit geldt tot het moment waarop de wet op dit punt zal worden gewijzigd.
Achtergrond
Eind 2018 stelde de rechtbank Limburg aan het Hof van Justitie EU prejudiciële vragen over de uniforme openbare voorbereidingsprocedure en artikel 6:13 Awb. Op 14 januari 2021 wees het Hof hierover een arrest (C-826/18, ECLI:EU:C:2021:7 (St. Varkens in Nood e.a.)).
Het Hof van Justitie overweegt dat niet-gouvernementele organisaties die kwalificeren als ‘het betrokken publiek én die geen zienswijze hebben ingediend tegen een ontwerpbesluit, toch een beroepsrecht toekomt (r.o. 59 van het arrest). Het gaat daarbij om besluiten en plannen die zijn opgenomen op bijlage I bij het Verdrag van Aarhus; waarop grofweg zijn opgenomen de zwaardere industrie, intensieve veehouderijen, hoogspanningsleidingen van 220kV of meer en langer dan 15 km en projecten waarvoor een milieu-effectbeoordeling is vereist is. De conclusie van het Hof luidt:
“… Artikel 9, lid 2, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, dat is gesloten te Aarhus op 25 juni 1998 en namens de Europese Gemeenschap is goedgekeurd bij besluit 2005/370, moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat de ontvankelijkheid van het daarin bedoelde beroep in rechte, dat wordt ingesteld door niet-gouvernementele organisaties die deel uitmaken van het in artikel 2, punt 5, van dat verdrag bedoelde „betrokken publiek”, afhankelijk wordt gesteld van hun deelname aan de voorbereidingsprocedure voor het bestreden besluit, ook al is deze voorwaarde niet van toepassing wanneer hun redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij daar niet aan hebben deelgenomen.”
Verwezen wordt ook naar twee uitspraken van rechtbank Gelderland d.d. 25 februari 2021 ECLI:NL:RBGEL:2021:935 en ECLI:NL:RBGEL:2021:938 beide over omgevingsvergunningen voor uitbreiding van melkveehouderijen en de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:648) over de vraag of deze rechtspraak ook gevolgen heeft voor particulieren.