Uitspraak stap 3 Vertrouwensbeginsel: welke gevolgen heeft een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel?

Janike Haakmeester
Brede en strategische kennis van omgevingsrecht, sparringpartner.

In deze procedure komt de vraag aan de orde of een eigenaar van een manege in Bergen een gerechtvaardigd beroep kan doen op het vertrouwensbeginsel. Als dat zo is, is de vraag of er schade is ontstaan en in welke mate deze moet worden vergoed. Daarover is een conclusie geschreven door AG Snijders (21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3420). De AG is heel kort samengevat van mening dat bij schending van het vertrouwensbeginsel in beginsel de volledige dispositieschade moet worden vergoed. De zaak is op zitting behandeld door de zogenaamde Grote Kamer. Op 22 januari 2025 heeft de Afdeling de hieronder opgenomen einduitspraak gedaan (AbRvS 22 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:213).

In 2002 is een bouwvergunning verleend voor een rijhal en ponystalling. In 2020 heeft het college deze vergunning ingetrokken, omdat er lange perioden waren waarin geen bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd en omdat de geplande bouw en het gebruik niet meer in overeenstemming waren met het actuele bestemmingsplan en Bouwbesluit 2012. Het alsnog bouwen van de rijhal met ponystalling zou een ongewenste ruimtelijke ontwikkeling zijn, die niet meer in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan. Bovendien wijkt het door de eigenaar beoogde gebruik, namelijk als pensionstal voor 30 volwassen paarden en 4 pony’s, af van het gebruik waarvoor voorafgaand aan de vergunningverlening in 2002 milieuvergunning was verleend, namelijk voor het houden van maximaal 7 volwassen paarden en 17 pony’s. De nadelige financiële gevolgen voor de eigenaar vloeien met name voort uit de omstandigheid dat het bestemmingsplan het beoogde gebruik niet toestaat, die zijn daarom voor het college niet doorslaggevend voor de afweging of de vergunning voor het bouwen van de rijhal met ponystalling uit 2002 kan worden ingetrokken.

Op grond van artikel 2.33 lid 2 Wabo kan het bevoegd gezag een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen geheel of gedeeltelijk intrekken, voor zover gedurende 26 weken geen handelingen zijn verricht met gebruikmaking van de vergunning. De periode hoeft niet direct vooraf te gaan aan het besluit tot intrekking (zie AbRvS 13 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1917, onder 7.2). Bij de beslissing over intrekking van een omgevingsvergunning moeten alle betrokken belangen worden meegenomen en tegen elkaar afgewogen (zie bv AbRvS 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:641 en AbRvS 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1215). Tot die belangen behoren naast de door het bestuursorgaan gestelde belangen, ook de (financiële) belangen van de vergunninghouder. Daarbij moet worden meegewogen of het niet tijdig gebruikmaken van de vergunning aan de vergunninghouder is toe te rekenen. Bij de beoordeling of het intrekkingsbesluit in overeenstemming is met het recht, kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het intrekkingsbesluit onevenredig zijn in verhouding tot de met het intrekkingsbesluit te dienen doelen.

De eigenaar van het perceel maakte bezwaar en beriep zich onder meer op gewekt vertrouwen door eerdere communicatie met de gemeente. Om tot een gerechtvaardigd beroep te komen op het vertrouwensbeginsel worden volgens de Amsterdamse dakopbouw-uitspraak drie stappen doorlopen. Allereerst moet een duidelijke uitlating of gedraging zijn gedaan waarop de burger mocht vertrouwen, die aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Vervolgens moeten belangen worden afgewogen, waarin ook door de als gevolg van het geschonden vertrouwen veroorzaakte schade aan de zijde van de burger moet worden meegenomen.

De eigenaar stelde dat hij erop mocht vertrouwen dat deze vergunning niet zou worden ingetrokken, mede op basis van communicatie met de gemeente. In deze zaak wordt niet vastgesteld dat een beroep kan worden gedaan op het vertrouwensbeginsel. De Afdeling komt tot de conclusie dat:

Een e-mailbericht van 21 september 2017 enkel bevestigde dat de vergunning destijds nog geldig was, maar geen toezegging inhield dat deze nooit zou worden ingetrokken.
Een vergunninghouder moet rekening houden met intrekking bij 26 weken inactiviteit, en de overheid hoeft daarover geen spontane mededeling te doen.
De eigenaar had wel gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel dat de vergunning in stand zou blijven gedurende een beperkte periode, namelijk van 30 september 2019 (brief van het college) tot 15 oktober 2019 (nadere verduidelijking per e-mail). Binnen die periode waren echter geen kosten of handelingen verricht door de eigenaar die verband hielden met dit vertrouwen. Dit leidde daarom niet tot een verplichting voor het college om schadevergoeding te betalen.
De uiteindelijke intrekking van de vergunning op 2 juni 2020 was niet in strijd met het vertrouwensbeginsel.
Dit heeft tot gevolg dat de Afdeling in deze zaak helaas niet toekomt aan een bespreking van de conclusie van de staatsraad advocaat-generaal. Het is wachten op nieuwe geschillen waarin de conclusie wel aan bod kan komen.

Deel deze pagina